Hieronder samenvattingen van Westerheempublicaties
Via "Publicaties" in de naviagatiebalk kunt U weer terug naar het publicatieoverzicht

           

IJzertijdvondsten uit Colmschate (gemeente Deventer)
De inhoud van een zestal afvalkuilen
Westerheem 1984-2 blz. 46-63 B. Groenewoudt
In de inleiding is er al op gewezen dat IJzertijdaardewerk, althans in het oostelijke deel van het land, vaak moeilijk scherp te dateren is. Een belangrijke reden hiervoor is het gebrek aan karakteristieke, goed dateerbare aardewerktypen. Op grond van de best dateerbare vondsten in de besproken afvalkuilen uit Colmschate kan wellicht toch een redelijke 61 datering van het geheel worden verkregen:
— Harpstedt-achtig aardewerk: vroeg een midden-IJzertijd
— Geheel besmeten aardewerk ontbreekt (midden- en late IJzertijd)
— Dellen versiering: vroege- uiterlijk begin midden-IJzertijd
— Schragrand-achtig aardewerk: uiterlijk begin midden-IJzertijd
— Kropfnadel: eind vroege- of midden- IJzertijd

Op grond van een en ander lijkt een datering: eind vroege-/begin midden-IJzertijd het meest aannemelijk. Afgaande op typologische overeenkomsten geldt deze datering blijkbaar voor alle kuilen. Fragmenten van conische schotels bijvoorbeeld zijn in drie verschillende kuilen aangetroffen.

Omhoog

De prehistorie van „ter Hunnepe"
Westerheem. 1991-5 blz. 347-352 B. J. Groenewoudt
Interpretatie
De prehistorische bewoningssporen die in de omgeving van Deventer zijn ontdekt, liggen hoog en droog op dekzandruggen en met dekzand bedekte rivierduinen. Alle vindplaatsen liggen boven de 7.5 m + N.A.P. Het blijkt dat het vooral de grotere complexen droge grond waren, die aantrekkelijk waren voor bewoning. Binnen dit areaal lijkt men, ongetwijfeld uit landbouwkundige overwegingen, de voorkeur te hebben gegeven aan lemige zandgrond. De grafvelden, althans die uit de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd vallen op door hun perifere ligging. Het nederzettingspatroon dat herkenbaar begint te worden, doet denken aan dat langs de Overijsselse Vecht in de Romeinse tijd (Van Es en Verlinde 1977). Er is op de hoge gronden langs de Schipbeek sprake van een lineair patroon van nederzettingen, gescheiden door zones zonder bewoning. De meeste IJzertijd-woonplaatsen  lijken centraal te midden van het bijbehorende landbouwareaal te liggen.
Het rivierduin waarop het klooster “ter Hunnepe" lag, is in het licht van het voorgaande een voor de hand liggende locatie voor prehistorische bewoning, ware het niet dat de zandkop waarop de vondsten zijn gedaan erg klein is. De oppervlakte boven de 7.5 m bedraagt krap 2 hectare. De totale oppervlakte is naar schatting 8 hectare. Het voor akkerbouw geschikte areaal was dus gering. De mogelijkheden voor veeteelt waren vermoedelijk veel beter. „Ter Hunnepe" ligt als een eilandje op de plaats waar de dalen van Schipbeek en Dortherbeek bijeen komen. Het is uit latere tijd bekend dat beekdalen vooral werden benut als weidegrond.
Op grond hiervan zou men kunnen veronderstellen dat veeteelt de voornaamste reden was waarom mensen zich hier ophielden. Of hierbij gedacht moet worden aan een permanente nederzetting of aan een soort herdersverblijf is op basis van de beschikbare gegevens onmogelijk te zeggen. Interessant is in dit verband een op een soortgelijke locatie gesitueerde vindplaats aan de IJssel bij Spoolde. Bij een opgraving werden hier geen huisplattegronden, maar uitsluitend als veekralen geïnterpreteerde palenconfiguraties aangetroffen (Van Beek 1988). De datering hiervan is vermoedelijk 351 Midden-Bronstijd. Een vergelijkbare(?) omheinde ruimte is zeer onlangs ook aan de Danzigweg op korte afstand ten noorden van „ter Hunnepe" opgegraven (Verlinde 1990). Deze dateert echter in de IJzertijd. Uit de tientallen paalkuilen en andere grondsporen die verder op deze vindplaats werden aangetroffen, konden verder geen structuren worden afgeleid. In afwijking van ijzertijdvindplaatsen in de buurt leverden de grondsporen ook opmerkelijk weinig vondsten op. Het is mogelijk dat zowel Colmschate-Danzigweg als de vondsten bij „ter Hunnepe" een ander type vindplaats vertegenwoordigen dan de gebruikelijke IJzertijdnederzettingen met woonstalhuizen, spiekers, afvalkuilen, voorraadkuilen en veel nederzettingsafval. Willen we ons inzicht in het functioneren van prehistorische samenlevingen vergroten, dan zal gericht onderzoek moeten plaatsvinden naar afwijkende archeologische vindplaatsen. Het zoveelste tandaardonderzoek van een standaardvindplaats levert zelden méér op dan een bevestiging van wat al bekend is.

Omhoog

De archeologie van 'het Swormink'
Westerheem 1997-6 blz. 22-40 Frits ten Bosch, Michel Groothedde en Bert Groenewoudt
Continuïteit in Colmschate
De bewoningscontinuïteit van dit middeleeuwse erf Swormink vanaf het midden van de 8e eeuw is opmerkelijk. Het is een goede parallel voor een vergelijkbare ontwikkeling van de drie erven in Eme. De vondsten staan echter in schril contrast met de vondst van twee grote I2e-eeuwse boerderijen in Colmschate. Deze erven lijken geheel op zichzelf te staan, zonder voorgangers. Dat de bebouwing op deze erven wordt opgevolgd door laatmiddeleeuwse gebouwen is vrijwel zeker. Bij beide I2e-eeuwse gebouwen werden laatmiddeleeuwse en post-middeleeuwse kuilen, greppels, een waterput, mobiele vondsten en bakstenen in de directe nabijheid gevonden. Dit wijst op een bewoningsexpansie in Colmschate in de 12e eeuw. Tot nu toe ging men er van uit dat met deze boerderijen in de 12e eeuw de bewoning in Colmschate weer een nieuwe aanvang nam, nadat de bewoning aan het eind van de Merovingische tijd leek op te houden. Sporen en vondsten van Merovingische bewoning concentreerden zich in het westen van Colmschate, op het huidige industrieterrein Kloosterlanden. In deze nederzettingscontext zal ook de vondst van een bijzonder vroeg-middeleeuws zwaardschedebeslag gezien moeten worden Hierop is een stilistische weergave van een mens met opgeheven armen te zien. Dergelijke bijzondere objecten worden doorgaans in graven aangetroffen. Wellicht dat in de directe omgeving van de Merovingische nederzetting een grafveld lag. Het jongste vondstcomplex in deze 9 eeuwse nederzetting wordt in de eerste helft van de 8e eeuw gedateerd. Het einde van de bewoning hier valt geheel samen met het begin van de bewoning op het Swormink vanaf het midden van de 8e eeuw. Continuïteit door verplaatsing van de woonplaats van de westzijde naar de oostzijde van de enk ligt voor de hand.
De middeleeuwse nederzetting van het Swormink; verbindt de oude bewoning uit de bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd en Merovingische periode op de Colmschater Enk met die van de 12e eeuw en later. De hypothese dat de bewoning te Colmschate na de Merovingische periode verdwenen was ten bate van de opkomst van de handelsplaats Deventer vanaf de tweede helft van de achtste eeuw lijkt hiermee van de baan. De opkomst van Deventer als kerkelijk centrum, koninklijk domeincentrum en handelscentrum valt wel geheel samen met het begin van het erf Swormink. Met deze constatering zou het begin van het Frankische koninklijke centrum Deventer en het landgoed Swormink in de tweede helft van de 8e eeuw niet geheel toevallig hoeven te zijn. Was het Swormink wellicht een van de door de Frankische vorsten vanuit Deventer geëxploiteerde domeingoederen? En is daarom de 'stichting' kort na 750 en de continuïteit van het erf  te verklaren? Kreeg de ruimtelijke organisatie van het cultuurlandschap rond Deventer onder de Frankische koning een nieuw beslag en vormde dit de aanzet tot een domeinstructuur met hoven en hofhorige boerderijen rond de stad? Het zijn voorzichtige nieuwe hypotheses die nog veel aanvullend onderzoek vragen. Maar het zal duidelijk zijn dat het onderzoek naar de bewoning te Colmschate met de vondst van het middeleeuwse erf Swormink een geheel nieuwe dimensie gekregen heeft. De laatste nazaat van deze boerderijenfamilie werd onlangs gerestaureerd en gaat nu verscholen tussen de alsmaar oprukkende nieuwbouw als stille getuige van ruim 1200 jaar boerenbedrijf

Omhoog

Crematie in de rimboe
Een landschappelijk afwijkend IJzertijd - graf in zuidwest Salland
Westerheem 1999-3 blz. 99- 106 BJ. Groenewoudt, Th. Spek en S. Cuijpers
Op de IKAW heeft het verkende gebied terecht een lage indicatieve waarde gegeven. Inderdaad is de dichtheid aan 'archeologie' gering. Aan de andere kant is eens te meer gebleken dat het niet verstandig is dit soort gebieden zondermeer af te schrijven. Het weinige wat we er vinden is veelal afwijkend en alleen al daarom belangwekkend. De landschappelijke situering van de crematiebijzetting bijvoorbeeld, wijkt af van het bekende patroon. Dat is een interessant gegeven dat mogelijk enig licht werpt op de vraag waarom we uit sommige perioden (en in sommige gebieden) zo weinig begravingen kennen. Zo zijn er in Oost-Nederland veel begravingen uit de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd bekend, maar veel minder uit de periode daarna.
Verschillen in grafritueel spelen hierbij ongetwijfeld een rol. Een dichte concentratie crematies in urnen en duidelijk zichtbare randstructuren zal eerder worden ontdekt dan verspreide bijzettingen zonder grafgiften, grafkuilen of bijbehorende structuren. Toch, en dat is al herhaaldelijk gesuggereerd, moeten we er ook rekening mee houden dat men de (c.q. sommige) doden in bepaalde perioden ver weg en op ongebruikelijke plaatsen aan de aarde toevertrouwde. Dergelijke locaties op te sporen is voorlopig het zoeken naar een speld in een hooiberg, maar dat wil niet zeggen dat dat altijd zo zal blijven. Net zo goed als dat voor nederzettingen geldt zijn er wellicht ook patronen te herkennen zijn in de landschappelijke situering van afwijkende verschijnselen en 'losse vondsten'. Zo ligt het voor de hand dat de randzone van voormalige moerassen die dicht bij bewoningskernen liggen relatief kansrijk zijn. Voor beekdalen geldt dat zonder twijfel. Willen we inderdaad verder dan het traditionele archeologische onderzoek en een vollediger inzicht verwerven in het gebruik van het landschap door de mens, dan zullen we op zoek moeten in die delen van het landschap waar nog nauwelijks is gezocht. Vaak zal dat niets opleveren, maar soms ook iets bijzonders. Voor wie er genoeg van heeft alleen nog maar meer van hetzelfde te vinden ligt hier wellicht een mooie uitdaging.

Omhoog

Import en ijzer: nieuwe Merovingische vondsten uit de gemeente Deventer
Westerheem 1990-1 blz. 7-16 B. J. Groenewoudt, M. van Nie en J. Schotten
Conclusies en interpretatie
Over de aard en de omvang van de bewoning van Overijssel gedurende de Merovingische periode is vrijwel niets bekend. Er zijn wel Vroegmiddeleeuwse nederzettingen bekend, maar de meeste zijn door het nagenoeg ontbreken van importen slechts binnen ruime marges dateerbaar. Slechts enkele nederzettingen zijn met zekerheid Merovingisch (Denekamp, Ommen - Varsen, Welsum, Deventer, Colmschate). Dit gegeven vormt op zich geen ondersteuning voor de veelgehoorde theorie dat er na de Romeinse tijd sprake was van een aanzienlijke afname van de bevolking. Immers, de slecht dateerbare Vroegmiddeleeuwse vindplaatsen kunnen evengoed vroeg als laat zijn. Het vrijwel afwezig zijn van importen bevestigt wel dat Overijssel in de Merovingische tijd nog buiten de directe invloedssfeer van het Frankische rijk lag. De „concentratie" van Merovingisch importaardewerk in de buurt van Deventer is opvallend (Deventer, Colmschate, Epse). Voor Deventer in de 2e helft van de 8e eeuw als handelsplaats („portus") een rol ging spelen, waren er hier, al dan niet directe, contacten met het Frankische rijk. Wat hiervan de reden is, valt op dit moment moeilijk aan te geven. Verschillende factoren kunnen een rol hebben gespeeld. Infrastructureel gezien is het gebied uitgesproken gunstig gelegen. Een zeer oude oost-west route passeert de IJssel bij Deventer, en loopt via Colmschate verder naar het oosten (het is niet uit te sluiten dat genoemde oost-west verbinding aanvankelijk niet bij Deventer, maar bij Epse de IJssel passeerde). Waarschijnlijk liep er ook nog een route over de hoge gronden ten oosten van de IJssel tot aan de „regio" Deventer. De toenmalige landschappelijke situatie in aanmerking genomen, ligt het niet voor de hand dat deze route nog verder naar het noorden doorliep. Of de IJssel in de Merovingische tijd al in verbinding heeft gestaan met de Rijn, en als verbindingsroute met het zuiden kan hebben gefungeerd, staat al geruime tijd ter discussie. Het feit dat er in het IJsseldal steeds meer Merovingische vindplaatsen worden ontdekt, lijkt wel in deze richting te wijzen (Welsum, Deventer, Colmschate, Epse, Zutphen?). Afgezien hiervan is duidelijk dat Colmschate op een strategische plaats ligt, namelijk op een driesprong van twee landroutes. Volgens welk mechanisme de importen de regio Deventer hebben bereikt is een andere vraag. In dit perifere gebied waren importen ongetwijfeld luxeartikelen. Men kan deze als schenking hebben ontvangen of via ruil of handel hebben verkregen. Als we er van uitgaan dat dit laatste het geval was, dan moet men over een bepaald productieoverschot hebben beschikt om te verhandelen. Het is mogelijk dat dit productieoverschot uit ijzer heeft bestaan. Zoals al is opgemerkt, zijn de beekdalen in de buurt rijk aan moerasijzererts. De vroegste aanwijzingen voor ijzerproductie in dit gebied dateren uit de Vroege-IJzertijd. Nabij een door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek opgegraven Romeinse nederzetting bij Colmschate is eveneens ijzer geproduceerd. Aanwijzingen voor ijzerproductie in het Deventer stadsgebied gaan terug tot aan de Karolingische periode. Men zou zich kunnen voorstellen dat de productie van ijzer in de Laat-Merovingische en Karolingische tijd een meer dan een lokale rol heeft gespeeld en, net als op de Veluwe, de verklaring vormt voor de aanwezigheid van de relatief  talrijke importen. Voorlopig is dit echter weinig meer dan een hypothese. Nagenoeg al het Vroegmiddeleeuwse draaischijfaardewerk uit Deventer is Karolingisch (vanaf 2e helft 8e eeuw). Het enige (Laat-)Merovingische vondstcomplex dat bekend is, dateert waarschijnlijk uit de eerste helft van de 8e eeuw (vindplaats 4: Barmhartige Steeg). Daarnaast zou een deel van de handgevormde Vroegmiddeleeuwse scherven die op verschillende plaatsen in de stad zijn gevonden, Merovingisch kunnen zijn. Dit ligt echter niet voor de hand omdat ze niet met importen zijn geassocieerd, terwijl dit in Colmschate en Epse juist wel het geval is. Terwijl Deventer zelf in de Karolingische tijd een aanzienlijke groei doormaakt, ontbreken gelijktijdige bewoningssporen in het buitengebied. Men krijgt de indruk dat met de opkomst van Deventer als handelsplaats in de tweede helft van de 8e eeuw, de bewoning in het buitengebied is verdwenen. Voor zover bekend worden hier pas in de 12e eeuw weer boerderijen gevestigd. Van drie huisplaatsen aan de zuidzijde van de voormalige Colmschater Enk is aangetoond dat ze tot in deze tijd teruggaan. Een interessante vraag is of de 7e-/vroeg 8e-eeuwse vondsten in de regio Deventer erop wijzen dat dit gebied toen al deel uitmaakte van „Hamaland". Volgens Heidinga had deze naam aanvankelijk betrekking op Centraal-Nederland (Veluwe) en later, vanaf de 2e helft van de 8e eeuw, op de IJsselregio. Hij sluit echter niet uit dat dit gebied al vroeger tot Hamaland behoorde. De recente vondsten in de regio Deventer suggereren dat dit laatste het geval is, al hoeft dit natuurlijk niet voor de hele IJsselregio te gelden.

Omhoog

Germaanse brons- en ijzerbewerking in Bathmen
 Westerheem 1996-3 blz. 141- 151 Bert Groenewoudt en Herman Lubberding
Metaalbewerking in Laat-Romeins Salland
De aanwezigheid van (productie)slakken toont aan dat in bijna elke Inheems-Romeinse nederzetting in de provincie Overijssel ijzer is geproduceerd, zij het op kleine schaal. Bathmen vormt geen uitzondering op deze regel. In schril contrast hiermee staat de omvangrijke ijzerproductie in enkele nederzettingen in het gebied ten noorden van Bathmen, namelijk in Heeten (gem. Raalte) en Wesepe (gem. Olst) en vermoedelijk ook in Linderte en Pleegste. In Heeten dateert de grootschalige productie in de eerste helft van de vierde eeuw. Ook in Wesepe is de grootschalige productie vrijwel zeker Laat- Romeins (voor Linderte en Pleegste zijn nog geen scherpe dateringen beschikbaar). Het lijkt erop dat in Salland in de eerste helft van de vierde eeuw sprake was van een trendbreuk in de organisatie van de productie van ijzer, waarbij plotseling is overgeschakeld van een kleinschalige decentrale productie naar een grootschalige centrale productie. De turbulente sociaal-politieke ontwikkelingen die zich voltrokken in de nadagen van het Romeinse Rijk zijn hier ongetwijfeld debet aan. De resultaten van het onderzoek in Bathmen suggereren dat het„normale" patroon zich, althans wat de productie van ijzer betreft, in de tweede helft van de vierde eeuw weer heeft hersteld. In tegenstelling tot ijzerproductie is de verwerking van brons zeker geen standaard verschijnsel. Aanwijzingen hiervoor zijn tot op heden alleen aangetroffen in Laat-Romeinse context, namelijk in Wesepe en Bathmen en, net buiten Salland, in Markelo- Elsen en Zutphen. Niet elke Laat-Romeinse nederzetting levert echter indicaties voor dit ambacht op. Zo is het opvallend dat in Heeten elke aanwijzing voor bronsbewerking ontbreekt.

Omhoog


De Brink te Deventer, een haven?
Westerheem 1995-3 blz. 102-105 H.H.J. Lubberding.
De waterloop is hoogstwaarschijnlijk ontstaan door het uitdiepen en verbreden van een afwateringsslootje, dat het regenwater van de beide rivierduinen aan weerszijden van de Brink moest afvoeren. Het veenachtige pakket, waaraan deze waterloop op de Brink was te herkennen, is op drie andere plekken ook geconstateerd, zodat we een beeld kunnen vormen van de breedte en de loop ervan. Hij zal ongeveer 20 m breed geweest zijn en liep van het midden van de Brink, met de stroomrichting mee, richting IJssel. Hoewel geen concrete aanwijzingen zijn teruggevonden, is het niet onwaarschijnlijk dat hier sprake is van een haven uit de 10e of 11e eeuw, waarbij het banket of voorland kan hebben gediend om vaartuigen op de wal te trekken. De theorie van de mogelijke haven wordt versterkt door de situering van de watergang aan de zuidoostzijde van de oude handelsstad, in de luwte van de stad, maar ook door de drie straten, die vanaf de top van het rivierduin (het centrum van de stad) zuidwaarts naar de Brink lopen. Van deze drie straten is bekend dat ze tot de oudste kern behoren. Het feit dat op geen enkele plek waar is geboord sporen van vroegere bewoning zijn aangetroffen, geeft aan dat, na demping van de watergang, bewust een open plek in de stad is gecreëerd, om als marktplein dienst te doen. Het summiere onderzoek heeft voldoende aanwijzingen opgeleverd om aan te tonen dat bij de theorieën aangaande de Brink, van twee bekende Deventer historici, Koch en Butter, grote vraagtekens moeten worden gezet. De hier gelanceerde theorie over een haven kan wellicht na een nieuwe herindeling van het plein worden bevestigd dan wel ontzenuwd.

Omhoog

De Swormertoren
Westerheem 1996-2 blz. 57-62 Herman Lubberding Een middeleeuwse verdedigingstoren bij Deventer
Het onderzoek „Swormertoren" heeft naast de onopgeloste vragen een aantal concrete feiten opgeleverd. De grondvorm van de ommuring is heel bijzonder, evenals de plaats van de toren binnen deze ommuring. Jammer is dat de restanten meer dan twee meter onder het huidige maaiveld liggen en, doordat de grondwaterstand veelal gelijk is met de bovenkant ervan, niet in het zicht kunnen blijven. Hoewel er (nog) geen concrete voorstellen zijn om het complex op de één of andere wijze te visualiseren, biedt het unieke grondplan hiervoor voldoende mogelijkheden.

Omhoog

Raadsels rond Ter Hunnepe
Westerheem 1996-3 blz. 165-168 H.H.J. Lubberding

Op een hellende akker, aan de noordkant van het kloostercomplex, is in of kort na het stichtingsjaar van het klooster in 1266 grond aangevoerd om het terrein te egaliseren. Op deze vlakke ondergrond heeft men een groot en stevig houten gebouw gebouwd, dat echter geen lange levensduur heeft gehad. Direct erna, of misschien gelijktijdig, verrezen er binnen het grondplan van dit gebouw drie of vier bouwsels, waarvan we niet het geringste vermoeden hebben waarvoor ze hebben gediend en evenmin hoe lang of hoe kort ze hebben gefunctioneerd. In de loop van de veertiende eeuw zijn er sleuven gegraven t.b.v. een omvangrijk stenen gebouw op de spaarbogen, dat globaal dezefde oriëntatie had als de voorafgaande houtbouw. Het is voor de verslaglegging van het onderzoek Ter Hunnepe van belang om de functie van de bouwsels te weten. Archiefonderzoek bood tot heden geen soulaas.

Omhoog

Vollerkuipen bij de vaalt. Een onderzoek naar ingegraven kuipen in de binnenstad van Deventer.
Westerheem 2001-5 blz. 207-211 H.H.J. Lubberding.
De plek, de vorm van de kuipen, deels ingegraven in de ongeroerde grond, de tenen wanden besmeerd met fecaliën en de restjes wol die daarin werden aangetroffen, doen vermoeden dat we hier te maken hebben met vollerkuipen, kuipen waarin laken tot vilt werd vervaardigd (misschien is gekneed een beter woord). Immers het is bekend dat het vollen gebeurde in kuipen die waren gevuld met ondermeer urine (denk aan de bijnaam van de Tilburgers, 'kruikenzeikers'). Het wegvloeien ervan in deze primitieve kuipen werd voorkomen door de wanden te besmeren met fecaliën. Dat er in de cameraarsrekeningen hierover niets wordt vermeld, kan betekenen dat deze 'industrie' kleinschalig was en de overheid zich er niet mee bemoeide. Dat bovendien deze minder mens - vriendelijke industrie juist in deze wijk werd uitgeoefend, kan geen toeval zijn.

Omhoog

Broodversiering uit de Koekstad, achttiende-eeuwse patacons uit een kuil aan de Polstraat te Deventer.
Westerheem 2003-3 blz. 95-107 M. Bartels, W. v. Ende en D. Schütten.
Conclusie
Dat de iconografische betekenis van de patacons de oudere bewoners duidelijk geweest zal zijn, ligt in een protestants milieu voor de hand; zoals de ruiter in de traditie van Willem III, een strijdbaar protestants thema. Bovendien was de ruiter het symbool voor de leidende
rol van de man binnen het gezin. De moralistische afbeelding van de zondeval geeft aan dat het hier op aarde en voor deze gelegenheid wel feest mag zijn, maar wijst er ook op, dat wij
door ons; eigen toedoen uit het paradijs zijn verjaagd en dat de zonde op de loer ligt. Naast de zondeval toont dit thema ook het eerste mensenpaar op aarde en is het daardoor het symbool voor het christelijke huwelijk ingesteld door God. De Verspieders laten zien dat na barre tochten en lang zoeken bij volgzaamheid aan God het Land van Melk en Honing in het verschiet ligt. Bovendien is dit het symbool van voorspoed. Daarnaast zijn de afgebeelde voorstellingen natuurlijk algemene symbolen binnen de populaire cultuur van huwelijk
en gezin. Voor de kinderen, die vermoedelijk de meest begenadigde eters van de feestbroden
en de verzamelaars van de patacons waren, zal de ideologische achtergrond van de oorstellingen aanvankelijk weinig hebben uitgemaakt. Het was na het feest een mooi aandenken en een leuk stukje speelgoed op de koop toe. Voor de ouders hadden de broden verschillende functies. Zij vierden een feest en gaven hieraan lading door relatief dure en bijzondere broden te kopen. Hiermee gaven zij uiting aan hun afkomst, stand en status.
Daarnaast brachten zij hun kinderen verschillende boodschappen over, waarmee zij hun geloof uitten en ongemerkt hun denkbeelden aan hen overbrachten. Aan het eind van de avond en de volgende dag waren de kinderen tevreden met aardige speeltjes die van
het feest waren overgebleven. Patacons bezaten dus ongemerkt een ideologische en godsdienstige connotatie. Het versierde brood was daarmee als product zelf de brenger van een belangrijke feestelijke maar ook morele boodschap.

Omhoog